Sorry, wát zeg je?

Het is vrijdagavond. Een grote, brede jongen komt op me af. Pas als hij tegen me begint te praten herken ik hem. ‘Hee, van de Pandelaar toch?’ ‘Ja klopt! Dat is lang geleden’. Het is inderdaad even, voor hem minimaal een halve meter, geleden. Het gesprek vervolgt met de typische vragen die je stelt aan vage bekenden. ‘Wat doe je tegenwoordig?’ ‘Ik werk bij de Fancy’.

Hier gaat het even mis. Ik slik mijn gigantische grijns in en vraag wat hij dan precies moet doen bij de Fancy, of hij misschien zijn eigen brievenrubriek heeft. Een klein giecheltje kan ik niet onderdrukken. Geef de schuld aan de vrijdagavond of aan mijn onnozelheid, maar pas een heel gesprek later krijg ik het door: ‘Nee, ik werk bij défènsíe’.

Een blad voor jonge meiden of een overheidsinstantie die zich inzet voor vrede en veiligheid. Toch een groot contrast. Maar qua uitspraak is er vrijwel geen verschil. De gesproken versie van ‘bommelding’ zou je het kunnen noemen. Deze zogenaamde homofonen zorgen, anders dan dubbelzinnige woorden als beamen (bea-men of be-a-men?) of massagebed (massa-gebed of massage-bed?), voor gekke gesprekken.
Het is lastig om sommige begrippen direct op de goede manier te lezen. Vooral zonder context kan het een crime zijn om meteen de juiste betekenis te zien. Bovendien kan het steeds moeilijker worden naarmate je meer woorden kent. Zo wordt een monster een stuk minder eng wanneer je eenmaal biologieproeven hebt gedaan en is een kater na je eerste biertje een stuk gevaarlijker. Ook spelling is hierbij belangrijk: paard of paart, bereiden of berijden en wij of wei. Allemaal homofonen die op papier voor verwarring kunnen zorgen door hun (foutieve) spelling. Al zullen bepaalde woorden altijd lastig zijn.

Want hoe hard ik ook probeer, ‘bommelding’ zal altijd een bommel-ding blijven en een ‘kerstomaatje’ zal altijd een kerst-omaatje zijn. Hetzelfde heb ik blijkbaar met ‘defensie’. Want werken bij de Fancy? Je moet het maar kunnen.

Saartje

Foto's:


0