Stuurman: Supercars, niet om áán te zien

In de jaren zestig bloeiden ze op, fascinerende sportwagens van de allerhoogste orde, voorzien van machtige V8- of V12-aandrijving en in esthetisch opzicht artistieke meesterwerkjes. Italië gaf de toon aan met Ferrari, Lamborghini, Maserati, Iso en De Tomaso, Zwitserland deed een duit in het zakje met Monteverdi, Ford bracht zijn GT40 in en de Britten pronkten met hun Aston Martins en de Jaguar E-Type, hoewel die laatste eigenlijk op een lager niveau vertoefde. Gedurende de decennia die volgden maakte de liga der supercars hevige golfbewegingen, met dieptepunten door (energie)crises en hoogtepunten door economische voorspoed.

Anno 2017-2018 barst dit segment bijna uit zijn voegen, ironisch genoeg dwars tegen de vergroening en verduurzaming (wat een jeukwoord toch) van het wagenpark in. Veel spelers van toen doen allang niet meer mee, maar Ferrari en Lamborghini houden de Italiaanse eer hoog, samen met Pagani. Engeland koestert Aston Martin en sinds een kwart eeuw tevens McLaren. Tegenwoordig bemoeien de Duitsers zich met de zaken, allereerst in de vorm van Porsche, maar Mercedes-Benz komt er ook aan. De Elzas (Frankrijk) levert Bugatti’s af en Zweden heeft zijn Koenigsegg, terwijl de Verenigde Staten zich wapent met de Corvette en de Ford GT. Daarnaast wagen allerlei kleine en soms zelfs totaal onbekende spelers uit de gekste hoeken van de wereld zich op deze markt, waarbij het grote raadselen opwerpt waar ze de ontwikkelingsbudgetten vandaan toveren.

Bijna al die supercars, laten we gemakshalve even ‘de club van 600 pk plus’ zeggen, beginnen een zorgwekkende overeenkomst te vertonen: ze zijn werkelijk niet om áán te zien. Oké, dat vormt natuurlijk mijn bescheiden mening, maar gezien de kritische reacties in sociale media sta ik daarin bepaald niet alleen. Ontwerpen die bij de meerderheid der mensheid goed liggen, kenmerken zich bijna altijd door een rustig, eenvoudig lijnenspel. Hoe meer hoeken, vouwen en onverwachte pennenstreken, hoe minder harmonieus het geheel op het netvlies ligt. Helaas begint dat laatste zich tot een algemene trend te ontwikkelen, waarbij het zich laat aanzien dat de designers hun creativiteit een beetje lijken te verliezen en daarom naar een kakofonie aan details op hun scheppingen loslaten.

De supercars van heden ten dage spannen wat dat betreft de kroon. Ze hangen van diffusers, splitters, luchthappers en spoilers aan elkaar en er valt geen vlakke lijn meer in te ontdekken. Natuurlijk hebben al die rare tentakels tot op zekere hoogte een functie, bijvoorbeeld de auto via downforce aan de grond houden bij extreme snelheden, maar in mijn optiek slaan de ontwerpers totaal door. Dat doen ze trouwens ook met koplampen, raampartijen, wielen en alle plaatdelen, waarbij ze de uitsteeksels nog eens benadrukken door ze in blank carbon uit te voeren. Het wordt een totale kermis, die monsterlijk lelijke auto’s oplevert, ver verwijderd van het droomautogehalte dat hun verre voorvaderen kenmerkte. Als kind wil je zulke gedrochten toch niet in postervorm op je kamer hangen?

Aart van der Haagen

Foto's:


0