Huisarts Cecil van den Beld schreef brief over corona-ervaringen

BAKEL – Iedereen die in de zorg werkt staat momenteel in het hart van de corona-storm die over de wereld raast. Huisarts Cecil ven den Beld beschreef haar ervaringen in een openhartige brief aan familieleden, vrienden, collega’s en medewerkers op de huisartsenpraktijk in Bakel. Daarna werd ze zelf ziek.

Door Siel Peijs

“De vraag is niet òf ik het krijg, maar wanneer”, schreef Cecil van den Beld vorig weekend in een bijzondere brief. ‘Het’ is Covid-19, het coronavirus dat zich sinds februari als een brandende olievlek over de wereld verspreidt. De Bakelse huisarts wilde via die brief familie en vrienden op de hoogte brengen van haar ervaringen met het virus, en waar ze als huisarts plotseling mee te maken krijgt. Maar haar woorden werden al snel bewaarheid, vertelt ze via de telefoon: “Enkele dagen later werd ik zelf ziek. Ik heb gelukkig slechts milde klachten gehad en inmiddels gaat het alweer wat beter. Maar het geeft wel aan hoe snel je het op kunt lopen, ondanks alle voorzorgsmaatregelen die we op de praktijk getroffen hebben.”
Van den Beld schreef haar brief als antwoord op de vele vragen die ze vanuit haar omgeving kreeg, vervolgt ze: “Ik had eigenlijk geen tijd om iedereen te antwoorden via de telefoon of whatsapp. Dat was de aanleiding. Tegelijkertijd kon ik voor mezelf zo ook het één en ander van me afschrijven. Daarna heb ik de brief ook maar aan collega’s en naar ons team op de praktijk gestuurd.”
Want de impact op de Bakelse huisartsenpraktijk is groot, valt in haar brief te lezen: ‘Maandag om half acht in de ochtend kwam de ploeg van die dag bijeen (..) en vervolgens ging de knop van de telefoon om. En inderdaad: de hel brak los. Urenlang stond de telefoon roodgloeiend, met vragen en angst, maar ook met echt zieke mensen, jong en oud. We waren in één klap van een gemoedelijke huisartsenpraktijk veranderd in een waar crisiscentrum.’
Tegelijkertijd beschrijft ze hoe de gevolgen van het virus haar persoonlijk raakten. Hoe ze heeft moeten huilen ‘om de beelden (..) uit Italië, nauwelijks behapbare palliatieve zorg bij een infectieziekte, door gebrek aan capaciteit, dat is niet te beseffen in deze tijd in een westers land’. En ‘bij dansende mensen op straat, die een coronafeestje vieren na het sluiten van de kroegen’. En ook ‘om hoe we ons zo hebben kunnen vergissen. We zijn het niet meer gewend om de controle kwijt te zijn. De tranen komen met het besef dat het dit keer écht is.’
Want echt is het, verduidelijkt Van den Beld: “Je probeert op alles voorbereid te zijn. Maar hoe het precies gaat lopen weet je niet. Ik heb patiënten die al van alles onder de leden hebben. Die er niks bij kunnen hebben. Daar maak ik me heel veel zorgen om.”
Tegelijkertijd merkt ze op dat ze het in haar vak nog redelijk eenvoudig heeft: “De grootste zorg is niet of we het als huisartsen redden, maar of de ziekenhuizen het aankunnen. Want als je ziet wat daar gebeurt; dat mensen aan de beademing liggen en gewoon overlijden. Dat is ongekend.”
Daarnaast is er hoop. De meeste mensen genezen ook weer van het virus. Van den Beld kan zelf als voorbeeld dienen. En ze zag hele mooie initiatieven ontstaan in de maatschappij, beschrijft ze in haar brief: ‘Ik heb ook andere tranen gehuild. Over (..) de solidariteit, saamhorigheid en zorgzaamheid. (…) Een crisis haalt het beste in mensen naar boven.’

De hele brief kun je hieronder lezen:

 

Het Front 

 Er is nu een week over heen gegaan sinds COVID-19 ook in Bakel onmiskenbaar is doorgedrongen. Het lijkt wel een maand…

Op zaterdag werd ik gebeld door een Gemertse collega met de duidelijke boodschap: het wordt nu echt serieus, de tijd is aangebroken om noodprotocollen te starten. Gek genoeg was het tot dat moment toch steeds nog een beetje ver-van-mijn-bed-show geweest, ondanks het feit dat het natuurlijk al weken gonsde in Brabant. Nu werd het echt. 

Zondag vertrok ik in alle vroegte naar de praktijk en begon te schrijven aan ons noodprotocol, verschillende versies, van milde tot ernstige crisis, om maar op alles voorbereid te zijn. Ondertussen kwam er bericht van de eerste zieke dokter, de huisarts in opleiding, zeer waarschijnlijk een COVID-infectie. 

Om nog even wat afleiding te zoeken at ik mijn laatste ijsje bij de plaatselijke ijssalon, die net die dag de opening had, maar met veel dubbele gevoelens. Het was duidelijk dat de ernst van de situatie bij de veel mensen nog niet was doorgedrongen. Pas toen het bericht kwam dat de scholen definitief gingen sluiten en alle horeca die avond op slot ging werd het voor de gemiddelde Bakelnaar pas echt voelbaar. Belangrijke beslissingen met grote consequenties, maar voor mij niets meer dan ruis op de achtergrond. Focussen op wat er op ons af gaat komen, opperste staat van paraatheid, met dat gevoel ging mijn weekend door.

Op zondagavond kwamen we met de maatschap bij elkaar en zetten de puntjes op de i. We besloten het protocol nog maar niet door te sturen naar de assistentes, om ze in ieder geval nog één slapeloze nacht te besparen. 

Maandag om half acht in de ochtend kwam de ploeg van die dag bijeen om het protocol door te spreken en vervolgens ging de knop van de telefoon om. En inderdaad: de hel brak los. Urenlang stond de telefoon roodgloeiend, met vragen en angst, maar ook met echt zieke mensen, jong en oud. We waren in één klap van een gemoedelijke huisartsenpraktijk veranderd in een waar crisiscentrum. Alles waar wij zo bewust voor hadden gekozen door huisarts te worden, werd in één klap aan de kant gezet. Niets meer laagdrempelig, direct contact met onze patiënten vermeden we zoveel mogelijk, alles moest ineens veilig en efficiënt. 

 Die middag draaide ik voor het eerst het isolatie-spreekuur. Ingepakt in beschermende kleding, mondmasker, spatbril, handschoenen en liters ontsmettende alcohol paraat, zag ik de hoestende en koortsige patiënten, die volgens nauwkeurige instructies via een aparte ingang naar binnen kwamen in de “vieze kamer”. Bij het omkleden werd ik haast een beetje giechelig van het hele circus, mijn eerste patiënt was er gelukkig een die ik goed ken en, hoe ziek ze ook was, er ook wel lichtelijk om kon lachen. Na 2 uur opgesloten in isolatie kon ik met rood aangelopen hoofd en beslagen bril eindelijk mijn mondmasker af doen. Ik had mij na de vele desinfecties nog nooit zo schoon gevoeld en was er van overtuigd dat ook de vieze kamer op dat moment de schoonste van de hele praktijk was. 

Aan het einde van de dag evalueerden we met de hele ploeg. De conclusie was duidelijk: ondanks alle hectiek liep het gesmeerd, wat hebben we toch een fantastisch team!

Ondertussen begon de tweede collega koortsig te worden..

De rest van de week op volle kracht vooruit, extra uren, wisselende taken van spoed-dienst, back-office coördinatie, isolatie-spreekuur en isolatie-visites, de hele dag door mails en app’s van alle fronten en toch ook zo hier en daar nog wat gewone zorg tussendoor. Toen een hooikoortspatiënt aan de telefoon zei dat ze mij hier eigenlijk nu niet mee wilde lastig vallen, flapte ik er spontaan uit hoe fijn ik het vond om eindelijk weer eens een gewone vraag te krijgen! Ook ik slik iedere dag mijn allergietabletje. Niet omdat ik zou zoveel last heb, maar wel omdat mensen toch wat nerveus worden van een dokter met een loopneus. 

In het achterhoofd hebben wij allemaal ook een steeds een tweede zorg: hoe gaat dit effect hebben op de reguliere zorg, hoeveel mensen gaan er in de komende periode overlijden door niet COVID-gerelateerde problemen, omdat ze in deze tijd van crisis mogelijk niet de juiste zorg krijgen?

Thuis gaat alles door, niet gewóón door, voor iedereen is het raar. De kinderen zitten thuis achter hun schermen braaf het schoolwerk te maken, af en toe even uitrazen in de  tuin, of afreageren op elkaar. Het “corona-wasje” draait in de wasmachine. Het toiletpapier is nog niet op en als je niet al te veel hecht aan blikvoer is er genoeg te eten. Op mijn “vrije” dag heb ik zowaar nog een paar uurtjes in de tuin kunnen werken, waar de lente zich aankondigt en alle bloemen ongestoord uit de knop komen. Even afschakelen om de volgende dag weer op volle kracht vooruit te kunnen. 

 Ik heb vaak gehuild de afgelopen week. Om hoe we ons zo hebben kunnen vergissen. Ook ik dacht toen het begon aan een “wat ergere griep”. 10 jaar geleden hadden we de Mexicaanse griep, ook veel ophef, pakken en maskers, om iets wat achteraf wel mee leek te vallen. Het is zo makkelijk om te denken dat het ook dit keer wel weer zoiets zou zijn. We zijn het niet meer gewend om de controle kwijt te zijn. De tranen komen met het besef dat het dit keer écht is. 

Ik heb gehuild bij dansende mensen op straat, die een coronafeestje vieren na het sluiten van de kroegen. Onwetendheid. Ik gun ze zo enorm de kennis en het besef, gelukkig komt dat nu steeds meer. En aan de andere kant de volledig doorgeslagen paniek, ook daar heeft niemand iets aan. 

Laten we in godsnaam rustig blijven. 

Ik heb gehuild om de beelden die ik zie uit Italië, nauwelijks behapbare palliatieve zorg bij een infectieziekte, door gebrek aan capaciteit, dat is niet te beseffen in deze tijd in een westers land.  Tegelijkertijd hoop ik, dat wat men denkt ook klopt: “flatten the curve” en dan kunnen we het aan. De gezondheidszorg in Nederland is beter geregeld en ik realiseer me maar al te zeer dat de sterke eerste lijn daar een belangrijk onderdeel van is. 

Als we maar overeind blijven… 

 Maar ik heb ook andere tranen gehuild. Over de mooie initiatieven die ontstaan in de maatschappij, de solidariteit, saamhorigheid en zorgzaamheid. Boodschappen doen voor onze kwetsbare ouderen, pubers die zich aanbieden als oppas nu de scholen sluiten, allerlei creatieve en praktische ideeën die zich ontwikkelen, mensen die mondmaskers komen brengen naar de praktijk, witte jassen van een slachthuis, ontsmettingmiddel van de bierbrouwerij, een fruitschaal van de plaatselijke groenteboer(in) om te zorgen voor de zorgers. Een crisis haalt het beste in mensen naar boven. En het wederom het besef wat een geweldige collega’s ik toch heb. Ik ben nog meer dan ooit zó trots op ons team! 

 Inmiddels zijn drie van de collega artsen uitgevallen, gelukkig niet allemaal tegelijk. Maar eigenlijk zijn er maar twee van de zeven niet ziek (geweest). Zonder koorts werk je gewoon door is de richtlijn. Voorkomen van het instorten van de zorg door een capaciteitsprobleem staat hierin hoger dan een arts met mogelijk besmettingsgevaar. 

“Flatten de curve” is ook het streven bij uitval van (huis)artsen. 

Ik ben een van die twee gelukkigen die nog niet ziek is. 

De vraag is niet òf ik het krijg, maar wanneer.  

 Vandaag heb ik de praktijk verbouwd met een stuk zeil, één praktijk is nu voorlopig opgesplitst in tweeën: een schone en een vieze.  Waar we het afgelopen week nog hebben kunnen redden met één vieze kamer, verwachten we daar de komende weken echt niet voldoende aan te hebben.

Het besef is er: dit is nog maar het begin… 

Cecil     Bakel     21 maart 2020

Foto's:


P