Er was eens een Siamese tweeling in Gemert

GEMERT/NEDERWEERT – In deze nare-virus-tijden is het goed om u te wijzen op het bestaan van een uitermate prettig virus. Goed, sommigen noem het een defectje, maar dat is het zeker niet. Ik heb het over het koortsachtig zoeken naar opmerkelijke gebeurtenissen uit het verleden.

Door Simon van Wetten

Dat verleden en het heden raken elkaar maar al te vaak. Zo maakte ik dankzij een artikel in Dagblad De Limburger kennis met geestverwant Alfons Bruekers uit Nederweert. Een geschiedenisfreak, net als ik. In zijn columns beschrijft Alfons onbekende historische gebeurtenissen en ontwikkelingen. Altijd met de mens centraal en met een relativerende knipoog. Hij komt terug op zijn al in 1985 gepubliceerd verhaal over de paspoortregisters van Nederweert. Daarin vraagt op 1 september 1779 ene Matthis Peters – 42 jaar, middelmatig postuur, bruin van aangezicht en zwart van haar – een paspoort aan om naar Frankfurt te reizen. Waarom? “Om aldaar te tonen en te laten bezichtigen twee aan elkaar gewassen kinderen.” Een Siamese tweeling! De reisgenoot van Matthis is Jan Jansen Lievens. En die kende ik, jazeker. Een Gemertenaar. Hij was de vader van de tweeling. Ik heb, zonder te weten van reislustige Nederweertenaren en de Frankfurter connectie, een jaar of vijf geleden het volgende verhaal uit het Gemerts schepenprotocol gepeurd:

Het is het gesprek van de dag. Kaat van Gemert, de vrouw van Jan Lievens, is bevallen van een tweeling. Twee dochtertjes. Opmerkelijk, maar normaliter zeker geen schokkend dorpsnieuws. Nu wel. Het verbijsterende, het beangstigend ongewone werd tijdens de ongetwijfeld zware bevalling al snel duidelijk: de twee meisjes zijn met elkaar vergroeid. Terwijl vooral het vrouwelijk deel der bevolking zich haast om met wie ook maar wil zeer uitgebreid en opgewonden van gedachten te wisselen over deze verbluffende gebeurtenis, noteren de schepenen in het dikke protocollenboek: Tot Kenisse der Nacomelingen (1778), den 23 october, des morgens vroeg is binnen deze grondheerlijkheid Catharina Jansen van Gemert, in huwelijk met Jan Jansen Lievens, in de kraam bevallen van twee welgeschapen kinderen, die van de borsten tot aan den onderbuik aan malcanderen en in malcanderen gewassen zijn. Zij hebben allebei twee armen, handen, benen en voeten, item een aarsgat ende vrouwelijkheid, en zijn verder in alle opzichten welgemaakt en –geschapen, en ook op de voorschreven dag in de parochiale kerk gedoopt.
Och, de schepenen horen het niet graag, net zomin als ik het graag noteer, maar de opgewondenheid van het vrouwvolk in het dorp is overgeslagen op onze vroede vaderen. Want het is helemaal geen 23 oktober, het is 23 december. Ze zijn een beetje in de war.

De meisjes krijgen de doopnamen Maria en Anna. Maria is de linkerhelft van deze Siamese tweeling, Anna de rechterhelft. Ze zijn allebei een week later, op 30 december, de een kort na de ander, overleden. Dat staat overigens niet in een begraafnotitie, maar in de doopnotitie… (zie foto, obierunt = overleden, de 30ste van deze maand)
erug naar het heden en naar Alfons Bruekers. Dankzij zijn column en de paspoortaanvraag van Matthis Peters weten we nu dat Maria en Anna niet zijn begraven. Want de reis naar Frankfurt stond blijkbaar gepland voor september 1779, ruim zeven maanden na hun overlijden. Het kan dus niet anders dan dat de aan elkaar gegroeide tweelingzusjes op de een of andere manier gebalsemd of geprepareerd en aldus een bezienswaardigheid waren, tot in Frankfurt aan toe. U ziet, een verhaal is nooit af. Dat althans is een kenmerkend symptoom van het vriendelijke virus waarmee geschiedenisadepten zijn behept. Waren alle virussen maar zo onschuldig…

Het verslag van de Gemertse schepenen over de Siamese tweeling is terug te vinden in het Rechtelijk Archief Gemert, no. R183, blz. 30.

Foto's:


O