Peelverhalen: De Stootershut (2)

GEMERT – Boxmeers Weekblad, 7 april 1894; Dinsdag j.l. overleed Freerk Jan-Stooter, bijna 82 jaar oud. Hij was oudstrijder en drager van het Metalen kruis. Gedurende ongeveer 50 jaren woonde hij in de alom bekende, en naar hem genoemde, stootershut. Geboren in Slochteren en alhier overleden.

Door Wil v. Lierop

Volgens het familieverhaal waren Peerke Tijsen, Frans van Baar en Jochem v/d Weyer vaker te zien bij de Stooter. Op een dag, toen de jagers op ganzenjacht waren geweest, gingen ze bij de Stootershut aan. Binnen zat hij in een stoel. Hij zei: je moet mij helpen, terwijl hij een scheermes aan Frans gaf. De heren wisten niet wat er aan de hand was terwijl Freerk zijn bovenlichaam ontblootte. Een rug vol steenpuisten. “Ik verrek van de pijn, snij er doorheen”, zei de Stooter, die hevig aandrong. Frans aarzelde eerst, maar stak het mes even later in het vuur en zei: “op hoop van zegen.” Kruislings sneed Frans door de rode plekken zodat er bloed uitvloeide. De Stooter schreeuwde en viel toen flauw neer. “Wat nu?”, zeiden ze tegen elkaar, goede raad was duur. Ze trokken een riem uit zijn broek, legden een kussen op de bloedende plek en sjorde het ermee vast, en zetten hem halfzittend terug in zijn stoel. Uit vrees voor gevolgen namen ze het hazenpad en spraken er met niemand over. Toch bleven de drie jagers ongerust. Na enkele dagen gingen ze weer op jagerspad met de gedachten, hoe zou het met de Stuiter zijn. Aangekomen keken ze verstomd naar de hut. Er kwam rook uit het schoorsteentje. Ze deden het hutdeurtje open en zagen de Stooter in zijn stoel bij het vuur zitten. Binnen vertelden ze over de jacht, maar over wat er gebeurd was werd door de Stooter geen woord gerept. Daar hadden de jagers wel zo’n beetje op gewacht. Zij lieten het ook rusten hoe onbegrijpelijk ze het ook vonden en gingen met een gerust hart weer naar huis.

Fam. v/d Acker, die vanuit Boekel naar deze streek was verhuisd, was sinds 1865 de dichtst bijzijnde buur. Zij hadden daar een tapperij. Volgens het familieverhaal hield Freerk een hond en wat schapen. Een enkele keer kwam de Stooter bij v/d Acker om een borreltje te drinken maar veel gingen ze niet met elkaar om. In 1891 ging de zoon polshoogte nemen bij de hut. Het was bitter koud. De Stooter was in geen weken meer gezien. Bij aankomst lag de kluizenaar in zijn bed rillend van de kou. In de hut brandde geen vuur meer en het stookhout was bijna op. Het vroor binnen net zo hard als buiten. “Breng me uit de Peel, ik ga hier dood”, riep hij. De jongeman maakte van het laatste stookhout een vuurtje en ging terug naar huis. Zijn vader stuurde zijn zoon meteen naar St. Antonis met een bericht dat ze de Stooter op moesten halen met de spullen die in hun ogen nog waarde had. Ondertussen was vader v/d Acker met eten en wat sterke drank naar de hut gegaan. Na de middag nam een voerman Freerk mee met nog wat spulletjes en de hut werd tot de grond afgebroken.
Waar de kluizenaar zijn laatste jaren doorbracht weet men niet zeker. In de Peel is hij niet meer terug gekeerd.

Foto's:


0