24 november 2022

Peelverhalen: De varkensblaas

GEMERT – ‘November slachtmaand’, wordt wel eens gezegd. In mijn kinderjaren was het altijd de vraag wie bij het slachten van het varken de blaas zou krijgen. We maakten daar een rommelspot van voor de vastenavond. Hiermee gingen we langs de deuren zingend het lied: “Jan tis vastenavond, ik kom niet thuis voor tavond, tavond in de maneschijn, als vader en moeter naar bed toe zijn.”

Door Wil van Lierop

Tot de jaren ’60, wat minder in de jaren ’70, deed men nog veel aan thuisslachten. Het varken was in november of in de wintermaanden afgemest of slachtklaar. Bij het uitdrijven van het varken vanuit het varkenshok naar de slachtsplaats leek het of het varken wist dat er onheil kwam. Huisslachters waren meestal seizoenarbeiders die dit vak combineerden met ander werk. In Boekel werd het thuisslachten toen gedaan door onder andere Nol Kandelaars en Janus Hanegraaf, die strodekker was. In Gemert waren dat onder andere Van Schijndel, rietdekker en Bart Rovers. Gerardus van den Heuvel uit De Mortel was beter bekend als Grardje Krulstartje, een klein maar dapper manneke. Bij ons kwam Hein Adriaans, een grote brede man, want zo zag ik hem als kind. Zijn attributen voor de slacht waren een slachtbank, slachtmes, kapmes, wetstaal, leren koker met riem en een indrukwekkend arsenaal aan verschillende messen. Als kind zag ik hem als een vreeswekkende verschijning, maar mijn ouders noemde hem gewoon Heintje!
Op de slachtplek werd het varken gekeeld. Door een feilloze steek in de strot werd het bloed zorgvuldig opgevangen, waar men bloedworst van maakte.
Met kokend water werd het dan overgoten, schoongekrabt en geschoren en van nagels ontdaan. Als het varken eenmaal op de ladder hing, met de kop naar beneden, werd het opengemaakt, van zijn ingewanden ontdaan en schoongespoeld. Dat was een hele sensatie.
Hein was ook keurmeester. Op een goedgekeurd varken werden blauwe stempels gedrukt. Daarna kwam de jeneverfles tevoorschijn en men dronk er een goede borrel op. Als kind mocht ik ook een beetje proeven, maar ik vond het zo vies dat ik nooit meer jenever heb gedronken. Enkele dagen daarna kwam slachter Hein weer terug om het nu stijve varken af te kappen. De hammen en de zijden spek werden ingezouten in een houten kuip of Keulse Pot, evenals de hielen, poten, ribben en de rug. Het ging allemaal de kelder in, want een diepvries was er toen nog niet. Het mooiste stuk ging wel eens naar de pastoor die er blij mee was. Maar ik was blij dat ik de blaas kreeg om een rommelspot te maken.
Wanneer de blaas nog nat is wordt die gespannen over een blik. Een rietje met een ‘knoop’ wordt dan aan het einde tegen de blaas gestoken, wanneer deze nog nat is. De uitgebolde blaas wordt dan aan één kant met een touwtje stevig met een knoop om het rietje gebonden. Het spannen van de blaas deed men bij een kachel of andere warmtebron. Met een beetje spuug in de hand langs het rietje, heen en weer bewegen, ontstaat er een dof geluid. En zo trok ik met een groepje kinderen langs de huizen zingend: (vervolg) “dan komt Cobus Jansen, die zal op de rommelspot spelen, en de gek zal leren dansen. Maar ik heb geen geld om brood te kopen, daarom ga ik met de rommelspot lopen. Rommelspotterij, rommelspotterij, geef mij ’n cent dan ga ik voorbij. Geef mij een appel of een peer, dan kom ik het hele jaar niet meer.”
De centen die werden opgehaald gingen in een missiepotje dat bij ons op de schouw stond, bestemd voor de arme kinderen in de wereld.

Foto's:


0