Afbeelding

Kauwenplaag in de Bakelse kerktoren

Nieuws

BAKEL. - Kauwen leven in koloniën. Deze kraaiachtigen nestelen in rotsgaten, schoorstenen, bomen en ook in (kerk)torens. Voor sommige mensen zijn die vogels een plaag.

Door Wil van Lierop

Tijdens werkzaamheden in en om de Bakelse kerk, in 1894-95, stoorden metselaars zich ontzettend aan de vele brutale kauwen nabij de galmgaten hoog in de kerktoren. Bij pastoor van Bokhoven kwamen zij hun beklag indienen over aanvallende kauwen tijdens die werkzaamheden. De toren was bezaaid met nesten van die vogels die daar hun verblijf hielden en broedden. Ook de koster had hierover al menigmaal zijn beklag bij de pastoor gedaan. Na een vergadering ten huize van de burgemeester met de pastoor, koster, secretaris der gemeente en een schoolonderwijzer werd besproken welk het beste middel was om die kauwen uit die toren te verjagen en zowel uit het dorp. Samen kwamen ze overeen, om nog diezelfde avond, juist op slag van tien uur, met hun vijven de toren te beklimmen. Dit gebeuren moest in stilte en geheimhouding, want niemand verder in het dorp mocht hier het minste van weten in verband met broedende vogels. Op die bepaalde tijd, ‘s avonds tien uur, was iedereen present onder de toren. Met samen maar één olielamp en ieder voorzien van een lange stok ging men bewapend ten strijde om die vogels te verjagen. Zij beklommen de trappen en ladders om bij de klokken en galmgaten te komen waar de vogels hun nesten gebouwd hadden. Nauwelijks stond ieder gereed hoog op zijn plaats, of twee der grootste kauwen vlogen op het licht van de lantaarn af die in stukken naar beneden viel. Daar stonden de heren jagers diep in het donker. Niemand durfde de hoge ladder af te klimmen bij gevaar om een ongeluk te krijgen of dood te vallen. Doch de hele nacht daar te blijven was onmogelijk. De pastoor, zeer beangstigd over het geval, verzocht de koster een nieuwe lamp te gaan halen, aangezien hij nog op de torentrap stond en het beste bekend was in die toren. De burgemeester verbood hem in verband met het grote gevaar dat hierin gelegen was. Doch de secretaris stelde voor aldaar te blijven overnachten tot het weer licht werd. De koster riep: “Mijne heren, volgens mijn opinie of goeddunken, resteert voor ons maar een middel voor allen het beste te kiezen: de brandklok te luiden om van het gevaar ontzet te worden en ons leven te behouden.”
Samen werd dit voorstel aangenomen. Op het geluid van de brandklok geraakte heel Bakel in rep en roer, en men zocht naar de brand die er niet was. Door het maar luiden van de brandklok ontstond er ene grote consternatie en niemand begreep wat er te doen was tot dat men een geroep hoorde boven uit de toren. Men dacht, of begreep, dat er dieven boven waren en aan de brandklok trokken om geheel Bakel te verontrusten. Twaalf gespierde inwoners, bewapend met rieken, stokken en enkele lampen beklommen de trappen van de toren om de dieven te vangen. Misschien waren het wel de dieven die bij boer Welten kippen gestolen hadden. Boven gekomen en zoekend naar de dieven vonden zij eerst de koster hoog op de trap en op de ladders de anderen. Geschrokken zeiden ze: “Meneer pastoor, wat doen jullie hier allen midden in de nacht in deze donkere toren?” “Ja beste vrinden”, sprak de pastoor, “de koster was hier boven voor controle en durfde niet meer naar beneden waarbij wij onze stoute schoenen aantrokken om hem te bevrijden.” “Ja, maar die staat toch onder jullie op de trap en de anderen hoger op de ladder?”, zei een der bevrijders. “Daar zullen we het een andere keer over hebben”, vertelde de pastoor. Het was voor de pastoor een leugen om bestwil. Groot was het gelach der Bakelse inwoners toen de heren beneden kwamen bedekt met uitwerpselen der kauwen. Hoelang men nog last had van die vogels? Na enige tijd was er geen nest meer te zien.

Bron: Brabantse Volksverhalen. M v L Vertelsekes. Foto HKK Bakel-Milheeze.

Lees ook