Afbeelding

Stuurman

Zakelijk

De échte duurzaamheid


Iedereen heeft de mond vol over duurzaamheid en in publicaties struikel je over deze term, die in mijn optiek steeds meer aan inhoud begint te verliezen. Wat ik daarmee bedoel? Dat we in onze wegwerpmaatschappij achteloos heen stappen over de afvalberg en de productieprocessen die we creëren omdat we alles zo dringend willen ‘ecologiseren’. Beperk ik me even tot de automotivesector, dan signaleer ik twee verschijnselen: de gemiddelde levenscyclus van modellen is onvoorstelbaar kort - gemiddeld een jaar of vijf, zes - en de slijtvastheid van constructies en materialen laat steeds vaker te wensen over. Ik noem maar even alle tragedies met zwakke distributiekettingen en kostbare accu’s die voortijdig overlijden. Sommige fabrikanten schijnen zelfs hun onderdelen samen te stellen vanuit een becijferde levensduur van 150.000 kilometer. Houden de componenten het daarna nog een tijdje vol, dan is dat mazzel voor de eigenaar, maar commercieel eigenlijk niet de bedoeling. Er moet immers toch weer wat nieuws verkocht kunnen worden. Stapelen de reparatiekosten zich op, dan dreigt voortijdig de slopershamer te vallen. Trouwens, het vervangen van de onderdelen zelf is ook bepaald geen toonbeeld van duurzaamheid.

Interessant vond ik het recente bericht dat Stellantis de levenscyclus van nieuwe modellen fors wil gaan oprekken. Niet meer om de vijf, zes jaar een opvolger de showroom in schuiven en een eigenlijk nog best frisse verschijning afserveren, maar de producten actueel houden door ze qua soft- en eventueel hardware van tijd tot tijd te updaten. Daar mag gerust een verdienmodel aan zitten, zonder dat eigenaren zich benadeeld hoeven te voelen. Immers, zij hoeven veel minder vaak hun spaarpot aan te boren om er een beetje knap en betrouwbaar bij te blijven rijden. Je kunt zelfs veronderstellen dat de afschrijving van een nieuwe auto dan een veel gunstiger patroon laat zien, doordat de fabrikant telkens inhoudelijke waarde toevoegt en het design niet achterhaald is door de introductie van een opvolgende generatie. Het vereenvoudigt ook de productie van reserveonderdelen, want die hoef je voor een langere periode nog slechts op één enkel model toe te spitsen. Lekker efficiënt, bovendien zullen de grote aantallen zich op een positieve wijze weerspiegelen in de prijsstelling voor de consument.

Er is echter één maar. Van een insider die als consultant voor de industrie werkt hoorde ik laatst dat fabrikanten volgens de jongste regelgeving tot het einde van de levensduur van hun producten verantwoordelijk worden gesteld voor de werking van alle componenten, dus ook de talrijke slimme elektronische systemen die om veiligheids- en praktische redenen periodiek updates behoeven. Niet echt aantrekkelijk, daarom zullen zij er op enig moment voor kiezen - echt waar! - om de auto’s die zij op de weg hebben gezet van afstand onklaar te maken. Misschien kunnen gebruikers er nog een tijdje mee doorrijden, maar dan zonder werkend navigatiesysteem, radio of climatecontrol. We hoeven niet bij voorbaat in paniek te raken, zo liet de insider mij weten, want ongetwijfeld springt de altijd inventieve aftermarketdaarop in. Laten we het hopen, want op het gebied van duurzaamheid heeft de auto-industrie nog wel een slag te maken. Ook op een manier die klimaatapostelen niet eens propageren.

Aart van der Haagen