De Bekker achter zijn bureau
De Bekker achter zijn bureau Paul Verhees

Opening tentoonstelling burgemeester De Bekker in Gemert

'Het is de geest die levend maakt'

GEMERT - Tachtig jaar geleden, in april 1946, trad Adrianus de Bekker aan als burgemeester van Gemert. Hij ging meteen na zijn installatie, op 11 mei van dat jaar, de naoorlogse problemen als woningnood, schaarste en de noodzakelijke wederopbouw met daadkracht te lijf. Heemkundekring De Kommanderij Gemert brengt daarom een special van het lijfblad Gemerts Heem uit, vrijwel volledig gewijd aan De Bekker. Bovendien is vanaf 9 februari in de hal van het gemeentehuis een tentoonstelling te bezichtigen, gewijd aan deze zeer markante man.

Door Simon van Wetten

Er zijn nog genoeg oudere Gemertenaren die zich burgemeester De Bekker levendig voor de geest kunnen halen. Toch lijkt de terugreis naar de jaren 1946-1966 een sprong naar lang vervlogen tijden. Gemert was, vergeleken met nu, nog echt een dorp. Het levenstempo lag een flink stuk lager dan nu en het gemoedelijke, kabbelende dorpsleven voltrok zich zonder al te veel ophef. Het toenmalige taalgebruik in de kranten- en gemeenteraadsverslagen is totaal niet meer van deze tijd en vooral als burgemeester De Bekker het woord nam, werden termen, spreekwoorden en metaforen gebruikt die ons als zeer plechtig of zelfs uitermate vreemd in de oren klinken. Toch is in die twee naoorlogse decennia de kiem voor het moderne Gemert gelegd.

Op vrijdag 17 mei 1946 pakte de Gemertsche Courant, voorloper van deze krant, groot uit. De gehele voorpagina – nog het oude, grote dagbladformaat – werd gewijd aan de officiële begroeting van de nieuwe burgemeester. “Gemert in blijde jubelstemming” en “Stralende lentezon langs wegen en straten vol warme kleuren van vlaggen en versiering”. En in een mooi omkaderd blokje onder deze koppen: “De intocht van den nieuwen Burgemeester van Gemert, de heer A.P.H. de Bekker, is een feestelijk gebeuren geworden, dat ongeteld velen die er getuige van waren, niet spoedig zullen vergeten.”

Er stond die feestelijke dag een welkomstcomité klaar bij de grens met Boekel, aan de Verreheide. De nieuwe burgemeester was blijkbaar al in de geschiedenisboeken gedoken, stapte uit de auto en sprak: “Zooals eens in het grijze verleden de Commandeur bekleed met het hoogste burgerlijke gezag deze Commanderije binnentrad en werd begroet door volk en geestelijkheid, zoo sta ik ook als een andere Commandeur, om een traditie voort te zetten en een goed volk te leiden.”

Hoe is het om in een burgemeestersgezin op te groeien? Kees de Bekker, jongste telg van het gezin De Bekker, geboren in februari 1939 in Mill, graaft ondanks zijn bijna 87 jaren met souplesse in zijn herinneringen. “De intocht met ons gezin, die ontvangst aan de gemeentegrens, dat heeft een niet te vergeten indruk op mij gemaakt. Ik was toen 7 jaar. Een half uur later, op het bordesje van het gemeentehuis, stonden er duizenden mensen tegenover ons! Verder heb ik nog een heel duidelijk beeld van de periode dat wij in de Ruijschenberghstraat woonden. Pa had het huis, meteen toen wij daar introkken, omgedoopt tot ‘Commandeurswoning’.

Kees beklemtoont dat opgroeien in een burgemeestersgezin betekende dat je onder een vergrootglas lag. “In de kerk bijvoorbeeld stonden op het hoofdaltaar altijd twee banken voor ons gereserveerd. Om daar te komen moesten we door het middenpad lopen. Dat was een ongemakkelijke gang naar voren, omdat ik bij wijze van spreken de ogen van de dorpsbewoners in mijn rug voelde prikken.”

Op zaterdag 30 juli 1966 zat burgemeester De Bekker zijn allerlaatste vergadering van de raad voor. Hij was in vorm! Zijn taalgebruik was nóg archaïscher, nóg bombastischer dan gewoonlijk, doorspekt met spreuken en vaak teruggrijpend op zowel de vaderlandse als de dorpsgeschiedenis. De huisspreuk van pater Van den Elsen (aratrum et cruce; ploeg en kruis), de lijfspreuk van paus Johannes de 23ste (obediëntia et pax; gehoorzaamheid en vrede), het vult vele alinea’s van een indrukwekkende toespraak. Na deze verbale reis door zijn ambtsperiode sprak de burgemeester een verrassend zinnetje uit: “Vandaag wil ik kort zijn.” En relativerend: “Woorden zijn maar woorden. Het is de geest die levend maakt en het hart dat spreken doet. Gemert, ik droeg zorg voor u, ik blijf aan u gehecht.”