
Peelverhalen
Weer de pineut
MILHEEZE - Ten tijde van 1910, ruim een eeuw geleden, woonde in en om het buurtschap de Klef, onder Milheeze, 15 gezinnen. De meeste bewoners waren turfstekers of schaapherders, dagloners of keuterboeren en hadden een armoedig bestaan. Velen van hen hadden ook een bijnaam.
Door Wil van Lierop
De jaren verstreken tot aan midden 1939. Er heerste in die vroege ochtend een oase van stilte over het buurtschap de Klef, dat tegen de oude peelgronden aan grenst. Het morgenlicht brak langzaam door. De stilte werd verstoord door het bolderen van een hoog kar die de Peel introk. Op de kar zaten Janus de Scheper (Scheepers) en zijn zevenjarige jongste zoon Mieske. Mieske had op school straf gekregen en zou dan die dag van vader Janus niet mee de Peel in mogen gaan om klot (turf) op te halen. Doch moeder Trui had het laatste woord. Op school hadden vier jongens ruzie met elkaar. Twee van hen duwde de andere twee in een natte vieze sloot die langs de speelplaats liep. Mieske kwam voorbij en zag de slachtoffertjes met natte kleren uit de sloot kruipen. Hierdoor lachte Mieske luidkeels waardoor meester Potter het jongetje snel als de grote dader aanwees. Hoe Mieske zich ook verweerde dat hij het niet gedaan had mocht niet baten. Hij was weer de pineut.
Al rijdend over een kronkelend heidespoor, met gaten en kuilen over de Hutsenberg, verdween de kar als een stip aan de horizon richting de Hasehut. Het oude spoor door de Peel was eeuwen geleden ontstaan door de turfstekers. Tegen het middaguur kwamen die twee weer in het zicht. Het Angelus-klokje, van de kerk van Milheeze, sloeg 12 uur. Op dat tijdstip arriveerden die twee met een volle kar turf voor hun boerderijtje op de Klef. Door de helpende hand van Mieske werd hij nog eens rijkelijk beloond met een dikke boterham met spek.
Janus woonde, met zijn vrouw en kinderen, in een oud boerderijtje niet ver van de ruwe Peel. Het dorp Milheeze leek voor de familie en de bewoners van de Klef ‘s winters onoverbrugbaar, temeer daar velen naar het dorp te voet moesten afleggen. Daarom hadden de meeste bewoners van het buurtschap, maar nu ook Janus, al gezorgd voor de winterse stook. Het boerderijtje had een opkamer en een zolder met een scheidingswand. Voor slaapgelegenheid leverde dat wel eens problemen op. Men kon slapen in een beddenkoets, waarvan een in de voorkamer en de ander in den hert (grote voorruimte) stond. Janus en Trui namen weleens de bedstee maar hielden toch de opkamer voor zichzelf. De jongens en meisjes sliepen op de zolder, gescheiden door een wand. Op zolder keek men tegen de stropoppen aan die tussen, en onder, de oud Hollandse pannen zaten. Hogerop was het dak belegd met stro. In de winter stoof de sneeuw wel eens tussen de dakpannen door naar binnen, en bij strenge vorst zag je de ijsbloemen op het zolderraampje staan. Drie jongste jongens, waaronder Mieske, sliepen in een groot bed en de meisjes hadden hun slaapgelegenheid aan de andere kant van de wand.
Als er in het najaar haver werd gedorst moesten de jongens met een pulling naar een andere boer, die woonde aan de Hoeve, om de pulling opnieuw met kaf te vullen. Dat moest elk jaar gebeuren. Wanneer het bed er weer behoorlijk bijlag, hadden de jongens de nijging er eens goed op te gaan ravotten. Vader Janus en moeder Trui deden zo goed mogelijk hun best het gezin draaiende te houden, en waren ‘s avonds blij dat ze even van hun rust konden genieten. Toch hadden de kinderen veel respect voor de opvoeding die de ouders gaven. Janus gebruikte wel eens zijn handen als de jongens in bed aan het klieren waren tot de rust weer terugkwam. Trui kon wel honderd keer roepen dat die herrie boven eens afgelopen moest zijn, maar daar stoorden de jongens zich niet altijd aan. Op een avond was het weer raak. Een geschreeuw en gebortel dat de stukken eraf vlogen. Vader Janus had tot nog toe al een paar keer naar boven geroepen dat die herrie afgelopen moest zijn, anders zou hij wel eens zijn handen laten wapperen. Dan was het weer even muisstil. Het bed stond met de zijkant tegen de muur. Elektriciteit was boven niet aanwezig. De twee oudste van de drie waren meestal de baas. Die zorgden wel als vader naar boven kwam, dat ze aan de muurkant van het bed lagen. Zo kwam het dat de voorste meestal de eerste klappen kreeg. Janus kon in het donker onmogelijk zien wie hij te pakken had. Daarom was Mieske ook meestal de pineut. Toch had de vader wel rechtvaardigheidsgevoel. Op een keer, door de herrie en het ravotten, stond Janus onverwachts boven voor het bed terwijl Mieske op dat moment in het midden lag. “Zo” zei Janus, “ander kirre had ik alt ‘t miste de vurste te pakken, maar nu zalk proberen den middelste ins efkes te vatten”. Mieske was al weer de pineut. Met de jaren leert men toch om slimmer te worden.
Bron: Heem. Bakel en Milheeze. R. V/d Broek. A. Scheepers.