
Neerlands trots
Van de Nederlandse auto-industrie is, behalve Donkervoort en enkele Spyker-achtige ideeën die in de week liggen, alleen nog maar geschiedenis over. Decennialang draaide NedCar in Born een respectabele massaproductie en vooral in de tijd van de Volvo’s hadden we iets dat onze trots voedde, omdat ontwerp en ontwikkeling van de meeste modellen óók binnen onze landsgrenzen plaatsvonden. Dichtbij zelfs, in Helmond. Daar lag blijkbaar vruchtbare grond, want de MAX Roadster kwam er eveneens vandaan, al stopte dat avontuur na een prototype en zeventien seriemodellen. Zo’n geringe inbreng in het internationale speelveld moeten we zorgvuldig koesteren en in herinnering houden, voordat niemand straks ons land nog enige rol van betekenis toedicht op het gebied van automotive. In zoveel industrieën zijn we van oudsher sterk en op dit vlak laten we het als land afweten.
Iemand moet dus de verantwoordelijkheid voelen om al die historie te documenteren. Dat is inmiddels op twee fronten gebeurd en de resultaten daarvan worden tegelijkertijd gelanceerd, zaterdag 9 mei. Tijdens het EMWalhalla in Raamsdonksveer, een reusachtig treffen voor onbekende en miskende auto’s, presenteert mijn goede vriend Maurice Fransen zijn diepgravende boek over de Volvo 300-serie met haar absurde ontwikkelingsgeschiedenis. Tegelijkertijd verschijnt bij dezelfde uitgever, Citrovisie, mijn levenswerk over de MAX Roadster vol spraakmakende gebeurtenissen en anekdotes. Allebei hadden we dezelfde insteek, namelijk dat we de onderste steen boven wilden halen. Het laat zien hoeveel automotive-talent er destijds in Nederland rondliep, maar ook welke enorme obstakels een gedreven team ontmoet bij de ontwikkeling van een personenwagen en welke onverwachte factoren daarbij zand in de raderen strooien.
Naast die vergelijkbare aanpak hadden we ook dezelfde drijfveer om die geschiedenis nú vast te leggen. Als je namelijk terugrekent in de tijd, bij Volvo’s 300 naar de vroege jaren zeventig en bij de MAX Roadster naar de overgang van de jaren tachtig naar de jaren negentig, kom je snel genoeg tot het inzicht dat steeds minder betrokkenen van toen hun verhaal nog kunnen delen. Terugkijkend mogen we onszelf echt in de handen knijpen met de verhalen die we wisten op te halen. Dat hing niet alleen af van het feit of de mensen die er ooit met hun neus bovenop stonden nog in leven waren, maar ook van hun bereidwilligheid om openhartig te spreken over hun herinneringen. Daarbij proefden we een grote trots op wat zij ooit, vrijwel zonder uitzondering in teamverband, hebben gerealiseerd. Dankzij hen kregen we de kans om twee belangrijke hoofdstukken uit de Nederlandse autogeschiedenis zwart op wit te zetten en de historie daarmee levend te houden.
Aart van der Haagen