Afbeelding

In de Biechtstoel: Leo Verheijen

Nieuws

BAKEL – Leo Verheijen is geboren in Beek en Donk. Zijn huwelijk leidde hem via De Mortel (“mijn vrouw is Bakelse, maar in dat dorp konden we aanvankelijk niet terecht, ik heb toen in De Mortel zelf een huis gebouwd en dat kunstje later in Bakel herhaald”) naar zijn huidige woonplaats. Leo is metselaar van beroep, maar was ook vrijwilliger bij de Rijkspolitie. “Ik was daar zo’n beetje de eerste met een pantalon in plaats van de toen gebruikelijk pofboks.”

Geloof je?

De natuur, de wereld om ons heen, dat is er niet zomaar gekomen. Hoe? Daar kunnen wij met ons verstand toch niet bij, zelfs niet met behulp van AI. Dus heel druk maak ik me daar niet over. Wel heb ik gedurende een jaar of vijf de drie kerken van Bakel, Milheeze en De Rips bouwkundig onder mijn hoede gehad. Daardoor ontstond een goede band met de drie bijbehorende pastoors en ik heb zelfs ooit een pot bier gedronken met hulpbisschop Rob Mutsaerts.

Wat is je grootste deugd?

Ik was en ben een goede metselaar, en inmiddels als pensionada vrijwilliger op het Boerenbondsmuseum, en dan met name in het kassagebouwtje, waar ik met het binnenkomende publiek de leukste gesprekken heb. Ooit werd ik door mijn kleinkinderen op het idee gebracht. Zij vonden het museum ‘echt iets voor mij’.

Wat is je grootste zonde?

Och, ik ben zeker niet volmaakt en aan iedereen mankeert wel iets. Ik denk dat de mensen in mijn directe omgeving beter kunnen benoemen waar ik niet zo goed in ben dan ikzelf. Ja, misschien is ‘gebrek aan zelfkennis’ wel het antwoord op deze vraag.

Wat koester je het meest?

Zoals terecht in deze rubriek altijd het eerst wordt opgesomd: mijn vrouw, kinderen en de kleinkinderen Gill, Jens, Sven en Jesse. De laatstgenoemden beschouw ik als een groot geschenk, zelfs als ze bijvoorbeeld aan het puberen zijn. Verder koester ik het feit dat ik op mijn leeftijd nog heel actief kan zijn en allerlei dingen kan doen, met plezier ook nog. En dat koesteren past ook bij alle herinneringen aan mijn eigen goeie, ouwe tijd. Daar kan ik boeken over schrijven.

Wat stuit je het meest tegen de borst?

De agressiviteit op straat. Zomaar tegen willekeurige voorbijgangers, maar zeker ook tegen de politie, ambulancepersoneel, de brandweer, de verpleegkundigen en op school tegen de leraren. Ja, die respectloosheid begint al op het schoolplein. Dat weet ik uit mijn ervaring als surveillant. Fatsoensnormen zijn vaak weggevallen en dat maakt de samenleving er niet makkelijker op.

Waar kun je heimelijk van genieten?

Houtzagen! Ik maak gebruikt hout spijkervrij en met die planken fabriceer ik, samen met mijn kleinzoon, de mooiste dingen. Verder fiets ik graag, samen met mijn vrouw. Fietsen op de trekhaak, een mooi stukske Nederland opzoeken, daar een skonne route rijden en onderweg bezienswaardigheden bekijken en uiteraard een paar keer ‘aanleggen’.

Van wie kun je nog wat leren?

Van eigenwijze mensen. Dat is met waardering én een knipoog gezegd. Ik bedoel dat je ook voor op het eerste oog rare of ondoordachte ideeën moet openstaan, en dan gezamenlijk door bijschaven, bijsturen en ombuigen wél tot een goed plan komen.

Achter welke deur zou je wel eens een kijkje willen nemen?

Achter de deur van het archief waar ik achter het juiste verhaal rond de dood van mijn opa kan komen. Hij is tijdens de Tweede Wereldoorlog om het leven gekomen; een pistoolschot door zijn hoofd. Zijn graf? Onbekend. Mij gaat het vooral om het kunnen afnemen van DNA, zodat we vervolgens opa kunnen herenigen met zijn vrouw, mijn oma dus.

Met wie zou je wel eens een weesgegroetje willen bidden?

Wij waren thuis met tien kinderen. Vader moest hard werken bij het Waterschap om al die monden te voeden, moeder was zorgzaam en heeft ons prima opgevoed. Daarom zou ik graag nog een keer met mijn ouders willen buurten.

Heb je verder nog iets op te biechten?

Dat respect het toverwoord is. Als je respectvol met elkaar omgaat, is er veel minder narigheid op de wereld.

Lees ook